- Schuss
- Schuss〈m.; Schusses, Schüsse〉1 schot ⇒ knal2 schot(wond) ⇒ kogelwond3 scheut(je) ⇒ dosis, portie4 vaart, snelheid5 〈mijnwezen〉explosie6 〈industrie〉inslag7 〈informeel〉shot, heroïne-injectie♦voorbeelden:1 〈informeel; figuurlijk〉 keinen Schuss Pulver wert sein • geen knip voor zijn neus waard zijn〈informeel; figuurlijk〉 ein Schuss in den Ofen • een misser, fiascoein Schuss ins Schwarze • een schot midden in de roos; 〈figuurlijk ook〉een rake opmerking〈informeel; figuurlijk〉 ein Schuss nach hinten • een schot in eigen doel〈informeel; figuurlijk〉 weit(ab) vom Schuss sein • buiten schot blijven, zijn〈figuurlijk〉 nicht zum Schuss kommen • niet aan bod komen, geen kans krijgen3 〈figuurlijk〉 ein Schuss Ironie • een dosis, portie ironieCola mit Schuss • cola-tic4 〈informeel〉 in Schuss kommen • (a) vaart krijgen; 〈 (b) figuurlijk〉op gang, op dreef komen¶ 〈informeel〉 einen kräftigen, tüchtigen Schuss machen, tun • een heel, aardig eind groeien〈informeel〉 einen Schuss haben • van lotje getikt zijn〈informeel〉 etwas gut im, in Schuss halten • iets piekfijn in orde houden〈informeel〉 etwas in Schuss bringen • iets in orde brengen; 〈ook〉opknappen〈informeel〉 ein Geschäft wieder in Schuss bringen • een zaak nieuw leven inblazen〈informeel〉 das hält mich in Schuss • dat houdt me bezig, daardoor blijf ik actief〈informeel〉 in, 〈soms〉im Schuss sein • (a) in orde zijn; (b) gezond, actief zijn〈informeel〉 er war wieder in Schuss • hij was weer op dreef〈informeel〉 die Kneipe liegt zu weit vom Schuss • het café is te verafgelegen
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch. 2015.